IMG_6131

DE DIEPTE IN MET ELINE - DEEL 10

04 januari 2016

Eline de Boer studeert Publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en loopt stage bij Zorro, bij het Kaap Hoorn 400-project. Ze houdt zich bezig met geschiedenis, erfgoed en de presentatie daarvan. Op deze website verschijnt regelmatig een verdiepende tekst van Eline over (een element uit) de Kaap Hoorn-reis, over Hoorn rond 1615 of over het gebruik en de interpretatie van het verleden.

Stuurmanskunst
4 december 1615

Den 4 saghen wy noch veel steencroos, bleeck water ende veel ghevoghelte, hadden smiddaechs de hoochte van 47 graden 25 minuten, en 16 graden wassende noordoosteringhe der Zeylnaelde, teghen den avondt wierpen wy grondt op 75 vadem, sandtgrondt. – Willem Cornelisz Schouten

Tegenwoordig zijn er radar en GPS, waardoor iedereen zonder veel moeite kan bepalen wat zijn positie is, zowel op land als op zee. Dat was in de zeventiende eeuw wel anders. Enkele delen van de wereldkaart waren zelfs nog niet ingevuld, omdat niemand wist hoe het er daar uit moest zien. Het ondernemen van een reis naar onbekend gebied was dan ook niet zonder gevaren en vergde deskundigheid van stuurman en schipper.

Zoals in de logboeken van Schouten en Le Maire te lezen is, werd tijdens de Kaap Hoorn-expeditie dagelijks bijgehouden wat de positie van de expeditie-schepen was, het bestek. Dat werd gedaan door de gestuurde (kompas)koers, de gemeten snelheid en de gevaren tijd te combineren. Ook werd naar de sterren gekeken. Wie op de oceaan voer als stuurman of schipper moest dan ook gestudeerd hebben in rekenkunde, meetkunde, sterrenkunde en het gebruik van instrumenten. Overigens kon alleen de breedtegraad bepaald worden: voor het bepalen van de lengtegraad is een tijdmeting nodig en in de zeventiende eeuw bestonden nog geen nauwkeurige klokken die dit mogelijk maakten. De breedtegraad werd met behulp van een Jacobsstaf bepaald. De hoofdlat van dit meetinstrument werd op de poolster gericht en de dwarslat werd bewogen tot die gelijk kwam met de horizon. Op de hoofdlat kon vervolgens worden afgelezen op hoeveel graden het schip zich bevond.

Waar mogelijk werd gepeild hoe diep het water was. Iemand liet een dieplood zakken en als het gewicht de bodem raakte werd op de lijn waaraan dit hing de diepte afgelezen. De grondsoort en het bodemreliëf (dat opgemaakt kon worden uit de golfslag) werden ook goed in de gaten gehouden. Scholen vis vertelden de zeelieden oven hun positie op de aarde, en ronddrijvende planten of vliegende vogels om het schip heen duidden op de aanwezigheid van land in de buurt en gaven aanwijzingen over het soort land dat vlakbij lag.

Om de koers te kunnen bepalen moesten windrichting, windkracht, stroming en golfslag in acht genomen worden. Ook was het van belang om weersveranderingen te zien aankomen; wat mogelijk is door te kijken naar de lucht, de vogels en de golven. Vooral in de buurt van Kaap Hoorn was dit een heel belangrijke vaardigheid. Daar was en is het weer verraderlijk en het water ontstuimig.

Het moge duidelijk zijn dat het vinden en ronden van Kaap Hoorn een hele prestatie was voor de zeventiende-eeuwse expeditieleden. Maar niet alleen hun reis is bewonderenswaardig: ook nu is voor het varen langs de Kaap goed zeemansschap nodig en is het afronden van zo’n tocht te prijzen.

Meer weten?
- E. van der Doe, P. Moree, D.J. Tang, red., Buitgemaakt en teruggevonden. Nederlandse brieven en scheepspapieren in een Engels archief (Zutphen 2013).

- H. Ketting, Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indiëvaarders (1595-1650) (Amsterdam 2002).

- www.vocsite.nl