1 Hoofdartikel beeld Kaap Hoorn -  schepen vertrek vanaf haven Hoorn

DE DIEPTE IN MET ELINE - DEEL 6

10 november 2015

Eline de Boer studeert Publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en loopt stage bij Zorro, bij het Kaap Hoorn 400-project. Ze houdt zich bezig met geschiedenis, erfgoed en de presentatie daarvan. Op deze website verschijnt regelmatig een verdiepende tekst van Eline over (een element uit) de Kaap Hoorn-reis, over Hoorn rond 1615 of over het gebruik en de interpretatie van het verleden.

Leven aan boord
Het leven aan boord van een schip in de Gouden Eeuw roept vaak een romantisch beeld op van avontuur, een droom van velen. Heel idyllisch was het leven op zeventiende-eeuwse (VOC-)schepen echter niet.

Het scheepsvolk leefde voornamelijk op het overloopdek of tussendek, het dek dat zich boven het vrachtruim en onder het verdek bevond. Iedereen had in deze lage ruimte (1,50 meter) een eigen kooi met een bultzak gevuld met elandhaar. Ook hadden alle matrozen een kist, meestal gevuld met wat kledingstukken, messen, naaigerei en stof of zeildoek om kapotte kleding op te lappen. Een enkeling had een stuk zeep, een kam, schrijfgerei, boeken of gereedschap en een paar mensen bezat een instrument, zoals een fluit of viool.

Comfortabel was het niet op het tussendek, want de ruimte was klein. Op hetzelfde dek bevonden zich onder meer het geschut, het grote spil en de ietwat afgeschermde kombuis. Frisse lucht kwam door de geschutpoorten en door een rooster in de kuil (deel van het schip tussen fokke- en grote mast). Bij slecht weer werden deze openingen gesloten en stonk het vaak enorm door bedorven kielwater onder de dekplanken, geteerde touwen, ongewassen lichamen, natte en smerige kleding, afval, en rook en weeïge etensluchten uit de kombuis. Licht kwam van olielampen of kaarslantaarns en warmte kwam alleen van het vuur in de kombuis. Het kon dus erg koud zijn aan boord.

Vanwege het niet wassen van lichamen en kleding had vrijwel iedereen luizen (het niet hebben van luizen werd zelfs gezien als ziekte) en lag tyfus op de loer. Aan boord waren trouwens ook vrijwel altijd vlooien, wormen, spinnen, muizen, ratten en kakkerlakken. Griep en verkoudheid waren geen uitzondering en longaandoeningen kwamen regelmatig voor. De zieken sliepen over het algemeen tussen het ‘gezonde’ scheepsvolk. Desondanks zijn er tijdens de expeditie van Hoorn naar Java via Kaap Hoorn in 1615 en 1616 slechts drie mannen overleden.

Hun behoefte moesten de zeelieden doen in het galjoen, een bak aan het voorschip met een gat boven het water. Bij kou en slecht weer gebeurde het regelmatig dat scheepslieden op het tussendek een plekje zochten. Er werd zelfs aanbevolen om in een okshoofd (een vat) te plassen, zodat bij brand altijd bluswater bij de hand was.

Het eten aan boord was bovendien veelal niet vers en wanneer lange tijd niet bevoorraad was doordat geen land werd aangedaan, moest het eten op rantsoen. Over het voedsel dat zeventiende-eeuwse zeelieden voorgeschoteld kregen volgt later meer. Ook over het harde werken dat het leven op schepen niet gemakkelijker maakte zal in een andere tekst verteld worden.

Hoewel er geen specifieke details bekend zijn over het leven aan boord van de Eendracht en de Hoorn, maar deze schepen van eenzelfde soort waren als die waarmee de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) voer en de opperbevelhebbers van de Austraalse Compagnie ervaring hadden opgedaan bij de VOC, kan ervanuit gegaan worden dat het leven aan boord van de schepen die op expeditie gingen naar een zuidwestelijke route naar de Oost overeen kwam met dat aan boord van VOC-schepen zoals hierboven beschreven.

Erg goed hadden de Horinezen op weg naar het onbekende het dus niet. Spannend was het vast, vooral wanneer storm opstak of nieuw land werd betreden. Maar een droom die uitkwam was het hoogstwaarschijnlijk niet…

 

Meer weten?

-G.M.W. Acda, Voor en achter de mast. Het leven van de zeeman in de 17de en 18de eeuw (Bussum 1976).

-Ketting, Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indiëvaarders (1595-1650) (Amsterdam 2002).